ABP stemt tegen goedkeuring beleid ING-top

ABP heeft de raad van bestuur en de raad van commissarissen van ING geen goedkeuring verleend voor het gevoerde beleid in 2018. Op de algemene vergadering van aandeelhouders van de bank stemde ABP tegen deze ‘décharge’ van het bestuur.

Wat is ons bezwaar?

In 2018 nam de raad van commissarissen van ING twee belangrijke beslissingen waar grote maatschappelijke ontevredenheid over ontstond. Eerste beslissing was de verhoging van de beloning van de topman Ralph Hamers met meer dan 50%. Tweede was het afzien van maatregelen tegen de raad van bestuur na een recordboete van € 775 miljoen voor gebrekkige controle op witwaspraktijken. Dit roept de vraag op of de raad van commissarissen van ING voldoende 'feeling' heeft met de Nederlandse samenleving.
 
Ook bleek dat er jarenlang een cultuur was bij de bank waardoor commerciële doelstellingen soms belangrijker werden gevonden dan naleving van wet- en regelgeving. De raad van bestuur en de raad van commissarissen zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het bestaan van zo’n cultuur.

Wat heeft ABP gedaan?

Wij vonden de voorgestelde verhoging van de beloning van de CEO buitensporig en waren - net als andere aandeelhouders en de politiek - zeer kritisch over dit voorstel. ING trok uiteindelijk onder deze druk het voorstel in. Ook hebben wij stevige gesprekken gehad over de maatregelen die de bank had genomen om witwassen en financiering van terrorisme te voorkomen. De bank heeft inmiddels diverse acties ondernomen om geldstromen beter in de gaten te kunnen houden. Wij blijven hierover met ING in gesprek.

En hoe gaat het nu verder?

In totaal heeft 62% van de aandeelhouders tegen de décharge gestemd. Formeel betekent dit dat ING, mocht ze dit willen, de bestuurders persoonlijk aansprakelijk kan stellen voor geleden verliezen. Dit achten wij zeer onwaarschijnlijk. Wel hebben de aandeelhoudersbeleggers een duidelijk signaal afgegeven aan het ING-bestuur dat het grote steken heeft laten vallen en zijn zaakjes snel op orde moet krijgen.

24-04-2019